Is dat wat we van mensen vragen, in de praktijk ook echt te doen? Die gedachte staat centraal in het nieuwe financieringsstelsel voor kinderopvang. Bij de ontwikkeling daarvan speelt doenvermogen een belangrijke rol. Martijn van der Wurff en Erlijn Wenink werken bij het ministerie van SZW aan het nieuwe stelsel. Zij onderzochten hoe ouders met het systeem omgaan en leggen uit wat doenvermogen daarin betekent. “Je wilt weten: kunnen mensen hiermee uit de voeten? Ook in tijden van stress?”.
“De toeslagenaffaire is voor ons echt een startpunt geweest”, vertelt Erlijn. “Wat daar misging, lag absoluut niet aan het doenvermogen van burgers. Dat lag aan politiek wantrouwen, aan de hardheid van wetgeving en aan de manier waarop het uitgevoerd werd. Voor ons is heel duidelijk: dit mag nooit meer gebeuren.” Erlijn en Martijn werken bij de directie Kinderopvang aan een nieuw financieringsstelsel voor kinderopvang: eenvoudiger en met meer zekerheid voor ouders. En omdat honderdduizenden gezinnen hier mee te maken gaan krijgen, besloten ze doenvermogen niet als bijzaak te behandelen, maar als kwaliteitseis.
Doenvermogen schommelt
Doenvermogen klinkt abstract. Martijn: “We bedoelen daarmee het vermogen van de burger om effectief te handelen. En dat vermogen wisselt. Soms heb je er veel van, soms weinig. Het zakt bijvoorbeeld weg in periodes van stress of bij ingrijpende levensgebeurtenissen, zoals het krijgen van kinderen. Precies op momenten dat beleid extra veel van mensen vraagt, kan hun ruimte om te handelen juist kleiner zijn. Dan kan een reactie zijn: die rekeningen doe ik nu even niet. Als beleid daar niet op ingericht is, kunnen mensen in de knel raken.”
Omdat doenvermogen kan schommelen, vraagt beleid om systemen die meebewegen in plaats van uitgaan van de altijd alerte burger. Doenvermogen helpt om te zien dat sommige mensen meer moeite hebben met regels of procedures. Daarom is het belangrijk om waarborgen in te bouwen, zoals herinneringen, ondersteuning en alternatieven, zodat een proces niet meteen vastloopt als iemand een stap mist.
Stressbronnen weghalen
Hoe ze dat concreet hebben gemaakt? Door steeds terug te keren naar de vraag: wat vragen we van ouders, en is dat in redelijkheid te doen? Hoeveel handelingen zijn nodig? Wat gebeurt er als iemand iets verkeerd invult, of te laat is? Moet een ouder alles zelf doorgeven, begrijpen en bewaken? Of kunnen we het systeem zo ontwerpen dat het vanzelf goed gaat? Het antwoord op die laatste vraag leidde uiteindelijk tot een ingrijpende ontwerpkeuze: in het nieuwe stelsel verdwijnt de voorschotsystematiek. “In het huidige systeem moeten ouders veel informatie doorgeven aan Dienst Toeslagen: inkomen, uren kinderopvang, wijzigingen in de situatie”, legt Martijn uit. “Als dat niet klopt, kan een terugvordering volgen, met alle stress en schade van dien.”
Erlijn: “In het nieuwe stelsel gaat het geld niet meer naar de ouder, maar rechtstreeks naar de kinderopvangorganisatie. De ouder hoeft dus ook nooit meer iets terug te betalen. Daarmee haal je één van de grootste stressbronnen uit het systeem.”
Impactanalyse en simulatie
Tijdens het traject van stelselverandering waren er meerdere ‘toetsmomenten’, elk met een eigen doel. Er was een impactanalyse (mei 2023) om te kijken of ouders het conceptontwerp konden volgen. “Dat was nog geen doenvermogentoets in de officiële zin”, zegt Martijn, “maar er zaten wel elementen in: kunnen jullie hiermee uit de voeten?”
“Daarna ontwikkelden we met een commerciële partij een simulatie”, vertelt Erlijn. “Die maakte vooral de technische varianten zichtbaar: hoe lopen geldstromen en gegevens, en wie doet wat wanneer?” Met acteurs speelden ze de processen na, zodat sectorpartijen, oudervertegenwoordigers en uitvoeringsorganisaties konden zien hoe het systeem in de praktijk zou werken. De resultaten daarvan zijn gedeeld met de Tweede Kamer.
Waardevolle feedback
“Daarna volgde de formele doenvermogentoets, die we in samenwerking met Behavior Change Group en het Kenniscentrum Psychologie en Economisch gedrag hebben uitgevoerd”, vertelt Martijn. “De opzet daarvan was tweedelig: eerst keken experts naar de processen vanuit hun ervaring, daarna volgden interviews met ouders. We hebben ongeveer dertig ouders gesproken. Daarbij kozen we bewust voor een kwetsbare groep: ouders met lage digitale vaardigheden, die moeite hebben met lezen en schrijven of die net uit een scheiding kwamen. De gedachte daarachter was: als het voor deze mensen te doen is, is het voor anderen ook helder.”
De opbrengst bevestigde vooral dat ze op de goede weg zaten. “De onderzoekers gaven terug dat het voor verreweg de meeste ouders – acht of negen op de tien – echt een verbetering is”, zegt Martijn. Omdat risico’s en verantwoordelijkheden bij ouders verdwijnen. Tegelijk wees de toets ook op werk dat nog nodig is: ondersteuning voor ouders die digitaal minder vaardig zijn, of die hulp nodig hebben om hun weg te vinden. Niet verrassend, maar wel waardevol. Je krijgt terug: hier moeten we echt nog een keer goed over nadenken.”
Vernieuwend werken
Wat daarnaast opvalt: Dienst Toeslagen, beoogd uitvoerder van de Wet financiering Kinderopvang, werkt nu al aan de implementatie ervan, terwijl beleid en wetgeving nog geschreven worden. Zij bouwen al aan systemen en testen die meteen met ouders en kinderopvangorganisaties. Erlijn: “Het is een iteratief proces van testen, terugkoppelen, verbeteren en aanpassen van beleid. Dat is vernieuwend en tegelijk ook logisch.” Martijn schetst ook het idee van een kleinschalige proef Test & Learn, waarin het stelsel stap voor stap in het echt wordt uitgeprobeerd, zodat aannames kloppen voordat het landelijk wordt uitgerold in januari 2029.
Hoofdpijn vermijden
Doenvermogen toetsen betekent alle processtappen vroeg zichtbaar maken, vroeg testen, bijstellen en opnieuw testen. Martijn: “We hebben inmiddels al tien variaties gehad op het aanmeldproces. Hoe maken we dit net even duidelijker, zodat het in één keer goed gaat?” Als je Martijn en Erlijn vraagt wat het oplevert, zeggen ze hetzelfde: minder hoofdpijn voor ouders. Erlijn: “Het grote doel is meer zekerheid en meer eenvoud. Het was gewoon te complex. Maar dan moet je wel testen of het ook echt als eenvoudiger wordt ervaren.”
Heeft het duo aanbevelingen voor collega’s? Martijn: “Gewoon gaan doen. Ga met mensen praten over wat je aan het maken bent.” Hij merkt dat mensen vaak graag meedenken, zeker als het iets raakt dat dichtbij komt. Ook Erlijn denkt dat het vertrouwen in de overheid daardoor toeneemt: “Als je met ouders praat over iets wat bedoeld is om het beter te maken, vinden zij dat positief. Dan kun je bruggen slaan.”
3 lessen voor beleidsmakers die met doenvermogen werken
- Ontwerp voor het moment waarop het níet lekker loopt
Doenvermogen schommelt. Stress, scheiding, schulden of taalproblemen tasten het vermogen om effectief te handelen aan. Stel jezelf steeds de vraag: wat gebeurt er als iemand één stap mist? Bouw waarborgen in (herinneringen, hulp, alternatieven) en voorkom dat één fout meteen grote gevolgen heeft.
- Praat niet alleen met vertegenwoordigers, maar ook met mensen zelf
Interviews met ouders – en juist met ouders in kwetsbare situaties – leveren inzichten op die je anders makkelijk mist. Als het voor hen werkt, dan werkt het waarschijnlijk breder. En: mensen vinden het vaak oprecht interessant om mee te denken.
- Test vroeg, en blijf testen terwijl je bouwt
Een simulatie kan helpen om processen zichtbaar te maken. Een doenvermogentoets maakt de ouderreis scherper. En parallel testen tijdens het bouwen voorkomt dat je fouten pas ontdekt bij landelijke uitrol. Vroeg leren voelt soms traag, maar laat leren kost bijna altijd meer – in geld, tijd én vertrouwen.
Laatst gewijzigd op: 25-9-2026