Omgevingsprikkels

Inhoudsopgave

Algemeen

Omgevingsprikkels spelen in op onbewuste mentale processen en zetten aan tot bepaald gedrag. Door omgevingsprikkels te creëren kun je dus invloed uitoefenen op het gedrag van mensen.

Beschrijving instrument
Het gedrag van mensen verandert als ze eerst zijn blootgesteld aan bepaalde tekens, woorden of sensaties. De overheid kan daardoor invloed uitoefenen door omgevingsprikkels te creëren. Die prikkels (cues) kunnen bij mensen enkele van een groot aantal latente en vaak tegenstrijdige persoonlijke mentale concepten automatisch activeren, zoals voornemens, normen, doelen, stereotypen enzovoorts. Gedrag wordt vooral bepaald door de mentale concepten die op dat moment het meest zijn geactiveerd. Een externe prikkel kan een van de concepten saillanter maken, en daarmee de keuze beïnvloeden, zonder dat iemand zich dat realiseert. Omgevingsprikkels kunnen ook belangrijk zijn voor het in stand houden of uitdragen van sociale normen. Het is vaak nog onbekend wat als prikkel werkt. Er kan dus ook onbewust (en in ongewenste richting) worden gestuurd. Omgevingsprikkels zijn sterk verwant met framing en labelling

Kwalificatie instrument
Hier is sprake van directe sturing, met een informeel instrument.

Praktijkvoorbeeld
Voorbeelden van omgevingsprikkels (cues):

  • Gekleurde voetstappen op de trap herinneren mensen aan hun voornemen om de trap te nemen in plaats van de lift.
  • een goed schoongemaakte straat straalt de norm ‘schoonhouden!’ uit en belemmert mensen onbewust om hun rommel op straat te gooien.
  • Vaak werken prikkels ook in een onverwachte richting. Zo overtreden mensen niet alleen minder normen in een schonere omgeving, ze blijken ook harder te oordelen over anderen.
  • Mensen die een puzzel maken met daarin woorden als fit, lenig, enzovoorts, nemen na afloop vaker de trap dan de lift. Mensen die geconfronteerd worden met woorden over ouderdom, gaan zich ouder gedragen: ze lopen langzamer en meer gebogen.
  • Andere onbedoelde gevolgen: een in een kerk gevestigd stembureau leidt tot conservatievere keuzes, een stembureau in een onderwijsinstelling tot een keuze voor onderwijsvernieuwing.

Terug naar boven

Kenmerken op een rij

Typering probleem
Ongewenst gewoontegedrag dat opgeroepen wordt door de omgeving.

Wie stelt de regels op? Met wie worden de regels opgesteld?
De regels worden opgesteld door wie de ruimte inricht. Dat kan de (lokale) overheid zijn als het de openbare ruimte betreft, maar dat kunnen ook instanties zijn die voor de overheid werken of bedrijven en maatschappelijke instellingen. Ook een derde kan gebruik maken van omgevingsprikkels, bijvoorbeeld bij de inrichting van zijn kantine. (Mensen zullen eerder gezond eten, als het gezondere eten prominenter ligt uitgestald; en het ongezondere bewuster opgezocht moet worden.) Om ongewenste sturing te voorkomen is het wenselijk dat het parlement wordt geïnformeerd over de specifieke effecten van dit type sturing.

Dwingendheid (mate van beperking gedragsvrijheid)
Vrij dwingend en intransparant. De overheid kan omgevingsprikkels ook inzetten om naleving van een wettelijke verplichting te verhogen.

Hardheid (juridische binding)
Niet.

Handhaafbaarheid (toezicht, controle en bestraffing)
Niet nodig: de prikkel is ‘zelfhandhavend’, wat niet betekent dat het tot volledige gedragsverandering leidt.

Reikwijdte (gerichtheid)
Afhankelijk van het aantal mensen dat aan de prikkel is blootgesteld.

Samenhang met andere beleidsinstrumenten
Een omgevingsprikkel vergt afstemming met de omgeving om het gelijktijdig uitdragen van tegenstrijdige normen te voorkomen.

Terug naar boven

Evaluatie

Wat is er bekend over de (kosten)effectiviteit?
Omgevingsprikkels zijn vaak gemakkelijk toepasbaar en kunnen vrij efficiënt zijn. Een eenvoudige ingreep leidt soms al tot procenten betere naleving, zoals in het voorbeeld van de voetstappen (6% toename).

Voordelen

  • Omgevingsprikkels vragen geen bewuste gedragsverandering en roepen ter plekke ook geen verzet op.
  • Omgevingsprikkels kunnen stigmatisering voorkomen: ze wijzen niet de persoonlijke keuze, maar de omgeving aan als problematisch voor het keuzegedrag.

Nadelen

  • Omdat omgevingsprikkels vaak niet herkend worden als gedragssturing, kan sturing als oneigenlijk of illegitiem worden ervaren. Omgevingsprikkels zijn het meest controversieel van de sociaalpsychologische sturingsinstrumenten.
  • De (plaatselijke) overheid moet zich soms behoorlijk inspannen (bijv. door de publieke ruimte goed schoon en graffitivrij te houden) om een prikkel in stand te houden.

Slaagfactoren

  • Omgevingsprikkels werken vooral goed wanneer ze aansluiten bij voornemens die mensen al hebben ontwikkeld. Prikkels kunnen dus aansluiten bij overheidsbeleid dat dergelijke voornemens stimuleert.
  • Een belangrijke factor is de culturele, sociale en politieke omgeving waarin een prikkel landt. Die is van groot gewicht op de mate van acceptatie van een nieuwe overheidsnorm. Daarom moet rekening gehouden worden met de groep waarop de prikkel wordt toegepast.

Faalfactoren
Omgevingsprikkels kunnen ook gedrag stimuleren in onbekende of zelfs ongewenste richting.

Valkuilen en tips

  • Onderzoek mogelijke sterk averechtse effecten.
  • Voorkom dat mensen in een omgeving worden blootgesteld aan tegengestelde prikkels. Dat vergt een enorme inspanning en vergroot de kans op normovertreding.
  • Onderzoek of onderbouw met bestaand onderzoek hóe (en wat in) de omgeving vermoedelijk het gewoontegedrag prikkelt.

Aanbevolen literatuur
De menselijke beslisser, over de psychologie van keuze en gedrag, Amsterdam University Press.

Terug naar boven

Laatst gewijzigd op: 2-10-2021