Aanwijzing 2.6a Toekomstbestendigheid

Gestreefd wordt naar een bestendig karakter van regelingen, in het bijzonder door rekening te houden met toekomstige ontwikkelingen en, indien dit wenselijk en mogelijk is, in de regeling ruimte te bieden voor alternatieve werkwijzen, technieken of instrumenten om het doel van de regeling te bereiken.

Toelichting

Vanuit het oogpunt van rechtszekerheid verdient het aanbeveling te streven naar een zo groot mogelijke bestendigheid van regelingen. Een regeling is bestendig indien zij niet frequent hoeft te worden gewijzigd. Dit vereist dat op weloverwogen wijze de essentiële beleidsmatige keuzes gemaakt zijn vóór het tot stand brengen van een regeling. Het kan wenselijk zijn om een regeling toekomstbestendig te maken door daarin ruimte te laten voor de toepassing van nieuwe technieken of werkwijzen. Hierdoor biedt de regeling meer ruimte voor innovatie en het leren van praktijkervaringen. Ook kan beter worden ingespeeld op maatschappelijke initiatieven.

Daartoe kunnen de volgende vormen worden overwogen:

De vormen a tot en met c zijn te gebruiken indien geen (nadere) regelgeving nodig wordt geacht om ruimte te bieden voor toekomstige ontwikkelingen. Daarvan is sprake indien deze ontwikkelingen qua aard, omvang of effecten reeds voorspelbaar genoeg zijn om binnen de kaders van de bestaande regeling beoordeeld te kunnen worden. Indien dat niet het geval is, kan met vorm d eventueel worden voorzien in de mogelijkheid tot het tijdelijk afwijken van de regelgeving op basis van een experimenteerregeling (zie verder aanwijzing 2.41).

Het is van belang hierbij te onderkennen dat een keuze voor één van deze figuren moet zijn gebaseerd op een afweging tussen enerzijds de verwachte voordelen en anderzijds de mogelijke nadelen daarvan. Denk bij mogelijke nadelen aan verlies van duidelijkheid of, in het geval wordt afgeweken van in de wet neergelegde keuzes, de spanning met het beginsel van het primaat van de wetgever (zie aanwijzing 2.19).

  1. het formuleren van wettelijke eisen in de vorm van doelvoorschriften;
  2. het opnemen van de mogelijkheid om een vrijstelling, ontheffing, vergunning of erkenning te verlenen (zie aanwijzing 5.17);
  3. het opnemen van een uitdaagrecht- of right to challenge-bepaling (zie bijvoorbeeld artikel 4.7 van de Omgevingswet);
  4. het opnemen van een mogelijkheid om een experimenteerregeling vast te stellen waarin tijdelijk wordt afgeweken van hogere regelgeving (zie aanwijzing 2.41).